From 1 - 10 / 184
  • Categories  

    De data zijn verzameld in het kader van het project Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken (CZO)

  • Categories  

    Deze kaartlaag omvat alle toeristische accommodaties in Zeeland, van hotel tot camping, van tweede woning tot bungalowpark. Deze data wordt jaarlijks geactualiseerd, zodat de ontwikkeling van het toeristisch verblijfsaanbod in Zeeland continu kan worden gevolgd. Zo kan bijvoorbeeld worden gezien of het aantal hotelkamers in Zeeland toeneemt of hoeveel aanbod er is van glamping in Zeeland. Zonder goed inzicht in het toeristisch verblijfsaanbod is het immers niet goed mogelijk om een beeld te vormen van bijvoorbeeld het huidige gebruik van dit aanbod of te beoordelen of er ontwikkelruimte is voor de toekomst. Het aanbod van toeristische verblijfsaccommodaties kan worden weergegeven op verschillende niveaus en worden geanalyseerd vanuit verschillende invalshoeken. Deze kaartlaag geeft het toeristisch verblijfsaanbod weer per buurt.

  • Categories  

    De data zijn verzameld in het kader van het project Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken (CZO)

  • Categories  

    Belastingheffing van resorten walcheren dubbelle 100 penning

  • Categories  

    Sommige dorpen zijn te typeren als gereduceerde of onvolledig ontwikkelde nederzettingen (gehuchten of buurtschappen), bijvoorbeeld Baarsdorp, Brijdorpe, Eversdijk, Hoogelande, Looperskapelle, Het Oudeland/Schakerlo, Wissekerke (bij ’s-Heer Arendskerke) en Zanddijk.

  • Categories  

    tracé van vroegere dijk. Het tracé kan een weg, sloot of ander lijnvormig element zijn. (NB dijken waarvan zowel het profiel als het tracé zijn verdwenen, zijn niet in de CHS opgenomen).

  • Categories  

    een aan één van beide zijden van een dijk gelegen water dat is ontstaan bij een dijkdoorbraak.

  • Categories  

    Het zuidwestelijk zeekleigebied beslaat een groot deel van Zeeland en de Zuidhollandse eilanden. Het wordt chronologisch ingedeeld in oudland en nieuwland. Tot het nieuwland behoren het oostelijke gedeelte van Schouwen-Duiveland, het noordelijk deel van Tholen, St. Philipsland, een klein deel van Walcheren, Noord-Beveland, het westelijke en oostelijke deel van Zuid-Beveland, en het grootste gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen. Vanaf het midden van de 13e eeuw werden dijken niet meer zozeer aangelegd om bestaand land te verdedigen, maar ook om ‘nieuw’ land aan te winnen. De hiertoe behorende gebieden worden nieuwland genoemd en bestaan uit zowel opwassen en aanwassen, als uit weer opgeslibd ‘verdronken’ oudland (zoals Noord-Beveland). Opwassen zijn platen of schorren die midden in het water onder invloed van de getijdewerking ontstaan. Aanwassen zijn opslibbingen tegen reeds bedijkt land. In nieuwlandpolders liggen vaak resten van kreken, die bij de bedijking afgesloten werden van het buitenwater. De nieuwlandpolders zijn hoger opgeslibd en minder ingeklonken dan de oudlandpolders en liggen dus relatief hoog in het landschap. De bodemopbouw is veel uniformer dan die van de oudlandpolders. De bewoning in de nieuwlandpolders was niet gebonden aan bepaalde hoogliggende delen; de polders waren vlak en hadden een goede natuurlijke afwatering. Hierdoor kon ook een groot deel van het land gebruikt worden voor akkerbouw (o.a. graan, meekrap en vlas, later aardappelen en suikerbieten) en fruitteelt. Alleen de laagst gelegen delen langs de kreken werden als grasland gebruikt. De inrichting van de polder is meestal rationeel: een rechthoekige, relatief grootschalige verkaveling met rechte wegen. De boerderijen werden verspreid in de polders gebouwd, de nieuw gestichte nederzettingen concentreerden zich langs de wegen en dijken (weg- en dijkdorpen). Vanaf de 15e eeuw werden voorstraatdorpen gebouwd. Diverse polders zijn meerdere malen overstroomd. Ingrijpende overstromingen zijn de stormvloeden van 1134, 1248, 1375, 1421 (Tweede Elisabethsvloed), 1530/32 (Noord-Beveland en Zuid-Beveland), 1570 (Land van Saeftinghe) en 1953 geweest. Welen en kreken geven in het huidige landschap aan waar de dijken zijn doorgebroken. Als reactie op de overstromingen werden inlaagdijken aangelegd. De inlaagdijk werd gelegd op plaatsen waar de bestaande dijk dreigde door te breken. Het gebied tussen deze dijk en de oude zeewering wordt inlaag genoemd. Inlagen komen vooral voor waar een diepe stroomgeul vlak langs de dijk liep en waar de ondergrond zwak was (jong zeezand). Om dijken te versterken werd vaak klei afgegraven uit de inlagen en zo ontstonden langgerekte plassen, van elkaar gescheiden door dammen. Omdat deze klei werd afgevoerd met karren, worden deze gebieden karrevelden genoemd. In de 19e eeuw is het landschap van de nieuwlandpolders plaatselijk sterk beïnvloed door de aanleg van spoorwegen, kanalen en dammen, later volgde de inundatie van 1953 en de grootschalige herverkavelingen.

  • Categories  

    groot, vlak terrein met verharde banen voor het landen en opstijgen van vliegtuigen.

  • Categories  

    tot ligplaats voor schepen geschikt, natuurlijk of gegraven waterbekken dat beschutting biedt tegen wind en golven. De meest eenvoudige vorm bestaat uit niet meer dan een loskade. Veel havens in Zeeland speelden of spelen een rol in de aan- en afvoer van industriële en landbouwproducten en fungeerden daarnaast als veerhaven. Een aantal was/is vooral van betekenis als visserijhaven.