From 1 - 10 / 173
  • Categories  

    Polders ontstaan 1422 - 1532 (1530, 1532, twee grote stormvloeden waarbij grote delen van Zeeland verdwenen),

  • Categories  

    De data zijn verzameld in het kader van het project Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken (CZO)

  • Categories  

    Bunkers van de 2e wereldoorlog in Zeeland

  • Categories  

    stuk land nabij dijk, waar klei werd afgegraven en uitgekard t.b.v. onderhoud en herstel van een nabijgelegen dijk.

  • Categories  

    betonnen toren; luchtobservatiepost uit de Koude Oorlog en gebouwd in de periode 1950 - 1960. Bedoeling was vanuit de luchtwachttorens de nadering van vijandelijke vliegtuigen te signaleren. Doel van vervaardiging: Ten behoeve van website "Cultuur Historische Hoofdstructuur"

  • Categories  

    De data zijn verzameld in het kader van het project Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken (CZO)

  • Categories  

    een gegraven water, dat van het buitenwater is afgesloten door dijken, dammen of sluizen, en dat dient voor de scheepvaart, en/of afwatering. Enkele kanalen in de duingebieden zijn aangelegd i.v.m. de waterwinning.

  • Categories  

    Verdedigingswerk uit de jaren '30 van de 20e eeuw ter verdediging van het Nederlandse grondgebied of verdedigingswerk aangelegd door de Duitse bezetter tussen 1940 en 1945. De categorie omvat m.n. de volgende objecten:, 1)kazemat: op zichzelf staand betonnen ('bomvrij') onderkomen voor huisvesting van geschut, manschappen of voorraden. De Duitse benaming voor kazemat is bunker., 2) anti-tankmuur: muur van beton en ijzer bedoeld om tanks de doorgang onmogelijk te maken. 3) anti-tankgracht: waterloop met steile oevers om tanks tegen te houden 4) drakentandversperring (Höckerhindernisse), gedeeltelijk ingegraven, taps toelopende betonnen elementen om tanks tegen te houden.

  • Categories  

    door zijn verschijning beeldbepalende boom, daterend van tenminste vóór 1953 (Watersnoodramp).

  • Categories  

    Het zuidwestelijk zeekleigebied beslaat een groot deel van Zeeland en de Zuidhollandse eilanden. Het wordt chronologisch ingedeeld in oudland en nieuwland. Tot het oudland behoren Schouwen, een klein deel van Duiveland (rond Zierikzee), een deel van Tholen, het grootste gedeelte van Walcheren, de Zak van Zuid-Beveland, de Yerseke en Kapelse Moer, en enkele kleine, geïsoleerde gebieden in Oost en West Zeeuwsch-Vlaanderen. Sa_Text "Het oude zeekleilandschap heeft zich met name gevormd na de Romeinse Tijd, toen grote zee-inbraken het aanwezige veenpakket erodeerden of bedekten met een dikke laag zeezand en klei. Waar het veen standhield, is het later voor een groot deel vergraven voor de turf- en zoutwinning. Het oudland omvat de zee-afzettingen uit de Vroege Middeleeuwen (500-1000), bestaand uit zandige kreekruggen en laaggelegen, kalkloze poelgronden. Het ontstaan van kreekruggen heeft te maken met differentiële klink (klink = bodemdaling als gevolg van ontwatering). In eerste instantie lagen de kreken zelf als laagste onderdeel in het landschap. De flankerende oeverwallen, opgebouwd uit relatief grof materiaal, waren wat hoger dan de omgeving die bestond uit het resterende, eerder gevormde veen. Daarop werd veel fijner materiaal afgezet, voornamelijk zware klei. Op deze wijze ontstonden de poelgebieden. Toen de kreken verlandden, vulde de bedding zich met zandig en zavelig materiaal, net zolang tot de bedding dezelfde hoogte had als de oeverwallen. De poelgebieden bestonden inmiddels uit klei op veen, dat bij de ontwatering waarmee de ontginning gepaard ging, begon in te klinken. De bodem daalde. Omdat zand en zavel veel minder inklinken, bleven de voormalige kreekbeddingen als ruggen in het landschap achter. Door moer- en selnering (vergraving voor zout- en turfwinning, zie hieronder) kwamen de poelgebieden steeds lager te liggen, waardoor het hoogteverschil met de kreekruggronden groter werd. De eerste structurele bewoning op de kreekruggen vond plaats vanaf de 9e en 10e eeuw, met name op Walcheren en in het westelijk deel van Schouwen. De bewoners waren afkomstig van de eerder gevormde strandwallen, waar al vanaf de Bronstijd gewoond werd. Op de hoger gelegen ruggen werden akkers aangelegd en dorpen gebouwd; het wegenpatroon was eveneens van oudsher aan de kreekruggen gerelateerd. De poelgebieden werden gebruikt als weide en hooiland. Ook de schorren werden gebruikt als weide. In 1014 en 1042 teisterden zware stormen het Deltagebied; dit leidde tot het opwerpen van woonhoogtes van 1 tot 2 meter hoog. Enkele groeiden uit tot complete dorpsterpen, zoals bijvoorbeeld Kloetinge op Zuid-Beveland. In de 12e/13e eeuw werd een aantal individuele woonterpen opgehoogd tot kasteelbergjes (vliedbergen). De zware stormvloed van 1134 leidde tot de systematische omdijking van het oudland in het verloop van de 12e en 13e eeuw. Eerdere dammen en dijken werden in de dijkringen opgenomen. In de Late Middeleeuwen is men begonnen met het winnen van veen ten behoeve van de zout- en brandstofproductie. Dit werd gedaan door de vrij dunne kleilaag aan het maaiveld te verwijderen en het veen af te graven en te drogen. Voor de zoutwinning werd het veen enkele malen met zout water overgoten, totdat het daarvan verzadigd was. Na verbranding kon het zout uit de as worden gewonnen. Na de afgraving van het veen, werd de weggezette klei weer verspreid en bleef een ‘hollebollig’ (zeer onregelmatig) maaiveld achter, dat een stuk lager lag dan in de onvergraven situatie. Ten behoeve van de sel- en moernering zijn grote gebieden afgegraven, waardoor het voor de zee makkelijk werd zich bij dijkdoorbraak een weg in het land te banen. Daarnaast werd de afwatering van de ‘gemoerde’ gebieden bemoeilijkt en moest men watergangen graven."