From 1 - 10 / 185
  • Categories  

    Forten, schansen en batterijen zijn zelfstandige, aan alle kanten te verdedigen vestingwerken, met een vier-, vijf- of zeshoekige hoofdvorm. Aanleg gebeurde vaak als onderdeel van een defensieve linie of stelling. Een schans is een klein type fort met meestal een ondersteunende functie in een linie. Hiervoor werd ook wel de benaming batterij gebruikt. Gemeenschappelijk bij forten, schansen en batterijen is de toepassing van wallen en grachten.

  • Categories  

    planmatige beplanting op een dijk met bomen of struiken.

  • Categories  

    Het zuidwestelijk zeekleigebied beslaat een groot deel van Zeeland en de Zuidhollandse eilanden. Het wordt chronologisch ingedeeld in oudland en nieuwland. Tot het oudland behoren Schouwen, een klein deel van Duiveland (rond Zierikzee), een deel van Tholen, het grootste gedeelte van Walcheren, de Zak van Zuid-Beveland, de Yerseke en Kapelse Moer, en enkele kleine, geïsoleerde gebieden in Oost en West Zeeuwsch-Vlaanderen. Sa_Text "Het oude zeekleilandschap heeft zich met name gevormd na de Romeinse Tijd, toen grote zee-inbraken het aanwezige veenpakket erodeerden of bedekten met een dikke laag zeezand en klei. Waar het veen standhield, is het later voor een groot deel vergraven voor de turf- en zoutwinning. Het oudland omvat de zee-afzettingen uit de Vroege Middeleeuwen (500-1000), bestaand uit zandige kreekruggen en laaggelegen, kalkloze poelgronden. Het ontstaan van kreekruggen heeft te maken met differentiële klink (klink = bodemdaling als gevolg van ontwatering). In eerste instantie lagen de kreken zelf als laagste onderdeel in het landschap. De flankerende oeverwallen, opgebouwd uit relatief grof materiaal, waren wat hoger dan de omgeving die bestond uit het resterende, eerder gevormde veen. Daarop werd veel fijner materiaal afgezet, voornamelijk zware klei. Op deze wijze ontstonden de poelgebieden. Toen de kreken verlandden, vulde de bedding zich met zandig en zavelig materiaal, net zolang tot de bedding dezelfde hoogte had als de oeverwallen. De poelgebieden bestonden inmiddels uit klei op veen, dat bij de ontwatering waarmee de ontginning gepaard ging, begon in te klinken. De bodem daalde. Omdat zand en zavel veel minder inklinken, bleven de voormalige kreekbeddingen als ruggen in het landschap achter. Door moer- en selnering (vergraving voor zout- en turfwinning, zie hieronder) kwamen de poelgebieden steeds lager te liggen, waardoor het hoogteverschil met de kreekruggronden groter werd. De eerste structurele bewoning op de kreekruggen vond plaats vanaf de 9e en 10e eeuw, met name op Walcheren en in het westelijk deel van Schouwen. De bewoners waren afkomstig van de eerder gevormde strandwallen, waar al vanaf de Bronstijd gewoond werd. Op de hoger gelegen ruggen werden akkers aangelegd en dorpen gebouwd; het wegenpatroon was eveneens van oudsher aan de kreekruggen gerelateerd. De poelgebieden werden gebruikt als weide en hooiland. Ook de schorren werden gebruikt als weide. In 1014 en 1042 teisterden zware stormen het Deltagebied; dit leidde tot het opwerpen van woonhoogtes van 1 tot 2 meter hoog. Enkele groeiden uit tot complete dorpsterpen, zoals bijvoorbeeld Kloetinge op Zuid-Beveland. In de 12e/13e eeuw werd een aantal individuele woonterpen opgehoogd tot kasteelbergjes (vliedbergen). De zware stormvloed van 1134 leidde tot de systematische omdijking van het oudland in het verloop van de 12e en 13e eeuw. Eerdere dammen en dijken werden in de dijkringen opgenomen. In de Late Middeleeuwen is men begonnen met het winnen van veen ten behoeve van de zout- en brandstofproductie. Dit werd gedaan door de vrij dunne kleilaag aan het maaiveld te verwijderen en het veen af te graven en te drogen. Voor de zoutwinning werd het veen enkele malen met zout water overgoten, totdat het daarvan verzadigd was. Na verbranding kon het zout uit de as worden gewonnen. Na de afgraving van het veen, werd de weggezette klei weer verspreid en bleef een ‘hollebollig’ (zeer onregelmatig) maaiveld achter, dat een stuk lager lag dan in de onvergraven situatie. Ten behoeve van de sel- en moernering zijn grote gebieden afgegraven, waardoor het voor de zee makkelijk werd zich bij dijkdoorbraak een weg in het land te banen. Daarnaast werd de afwatering van de ‘gemoerde’ gebieden bemoeilijkt en moest men watergangen graven."

  • Categories  

    Voorstraatdorpen zijn ontstaan van de 15e tot en met de 18e eeuw in de nieuwlandgebieden. Ze werden meestal reeds in het plan voor bedijking aangegeven. Alleen de grotere polders kregen een dorp. Dit dorpstype heeft als centraal element een brede hoofdstraat, ‘de voorstraat’. Deze staat loodrecht op de zeedijk en verbindt de haven (kaai) met de kerk. De hoofdstraat is aan beide zijden bebouwd en evenwijdig eraan zijn enkele achterstraten aangelegd; dwarsstraten verbinden deze met de voorstraat. Een centrum ontbreekt veelal. Het voorstraatdorp is één van de oudste dorpstypen in de nieuwlandpolders. Het type heeft overwegend niet-agrarische bebouwing, omdat de boerderijen van meet af aan verspreid in de polder werden gebouwd. Voorstraatdorpen zijn relatief veel aanwezig op Noord-Beveland en verder op Tholen, Sint Philipsland, Schouwen-Duiveland, Walcheren en in Zeeuwsch-Vlaanderen. Een subtype binnen deze categorie is het ring-voorstraatdorp. Daarin wordt de voorstraat aan de polderzijde afgesloten met een kerkring, aanvankelijk rond, later rechthoekig. In sommige gevallen was er vroeger een gracht rondom het kerkhof. Een havenplein aan het andere uiteinde van de voorstraat kan de ruimtelijke tegenhanger van de kerk met het kerkhof vormen. De kerk neemt doorgaans een veel minder centrale plaats in dan bij de oudere ringdorpen. Bij het ring-voorstraatdorp gaat het om een planmatige opzet, die vaak al opgetekend werd bij de verkaveling van de polder. Schouwen-Duiveland: Bruinisse Walcheren: Nieuw- en Sint-Joosland, Westkapelle Noord- en Zuid-Beveland: Colijnsplaat, Geersdijk, Kamperland, Kats, Kortgene, ’s-Gravenpolder, ’s-Heer-Arendskerke, Wissenkerke, Wolfaartsdijk. Tholen: Scherpenisse, Sint Annaland, Stavenisse Sint Philipsland: Sint Philipsland Zeeuwsch-Vlaanderen: Emmadorp, Hoofdplaat, Zeedorp, Walsoorden

  • Categories  

    Gebieden met een bijzondere monumentale status, geïnventariseerd tijdens het Monumenten Inventarisatie Project (MIP).

  • Categories  

    Polders ontstaan 1533 t/m 1648

  • Categories  

    beplanting, voornamelijk langs wegen, aangelegd volgens het landschapsplan van N.M. de Jonge bij de herverkaveling van Walcheren (1946 en later).

  • Categories  

    Inventarisatie boerderijen welke voor 1960 zijn gebouwd. Aangevuld met boerderijen met Prov. selectie cult. hist. waardevolle boerderijcomplexen

  • Categories  

    De data zijn verzameld in het kader van het project Cultuurhistorie aan de Oosterscheldedijken (CZO)

  • Categories  

    restant van een weggeslagen of weggevallen (zee)dijk.