From 1 - 10 / 184
  • Categories  

    Archeologie: Waterbodem gemeente Hulst

  • Categories  

    waterloop, meestal gegraven, ten behoeve van de afwatering en/of scheepvaart.

  • Categories  

    De RACM Stads- en Dorpsgezichtenkaartlaag bevat alle gebieden waarvoor (recent of langer geleden) de procedure is gestart om het gebied aan te wijzen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht (ex artikel 35 van de Monumentenwet 1988). Dit betekent dat de kaartlaag niet alleen de gebieden bevat waarvoor de procedure nog loopt en waarvoor de procedure heeft geresulteerd in een aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar ook waarvoor de aanwijzing inmiddels is ingetrokken. Doel van vervaardiging: Website Cultuur Historiche Struktuur

  • Categories  

    drijvend element dat in open water afgezonken kan worden om afsluitingen, kades e.d. te creëren.

  • Categories  

    onder water te zetten gebied, behorend bij een militaire verdedigingslinie en bedoeld om de vijand letterlijk op afstand te houden.

  • Categories  

    tracé van vroegere dijk. Het tracé kan een weg, sloot of ander lijnvormig element zijn. (NB dijken waarvan zowel het profiel als het tracé zijn verdwenen, zijn niet in de CHS opgenomen).

  • Categories  

    Het (niet aaneengesloten) gebied bestaat uit tien dammen, verspreid over Zeeland (andere onderdelen van de Deltawerken liggen in Zuid-Holland). Deze dammen vormen de ruggengraat van de Deltawerken. Dit waterstaatkundige project, een van de belangrijkste uit de 20ste eeuw, moet een groot deel van Nederland tegen overstromingen beschermen. De Deltawerken vormen een mijlpaal in het voor Nederland zo kenmerkende thema “omgang met water”.

  • Categories  

    betonnen toren; luchtobservatiepost uit de Koude Oorlog en gebouwd in de periode 1950 - 1960. Bedoeling was vanuit de luchtwachttorens de nadering van vijandelijke vliegtuigen te signaleren. Doel van vervaardiging: Ten behoeve van website "Cultuur Historische Hoofdstructuur"

  • Categories  

    Wettelijk beschermde monumenten gemeente Sluis

  • Categories  

    Het zuidwestelijk zeekleigebied beslaat een groot deel van Zeeland en de Zuidhollandse eilanden. Het wordt chronologisch ingedeeld in oudland en nieuwland. Tot het nieuwland behoren het oostelijke gedeelte van Schouwen-Duiveland, het noordelijk deel van Tholen, St. Philipsland, een klein deel van Walcheren, Noord-Beveland, het westelijke en oostelijke deel van Zuid-Beveland, en het grootste gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen. Vanaf het midden van de 13e eeuw werden dijken niet meer zozeer aangelegd om bestaand land te verdedigen, maar ook om ‘nieuw’ land aan te winnen. De hiertoe behorende gebieden worden nieuwland genoemd en bestaan uit zowel opwassen en aanwassen, als uit weer opgeslibd ‘verdronken’ oudland (zoals Noord-Beveland). Opwassen zijn platen of schorren die midden in het water onder invloed van de getijdewerking ontstaan. Aanwassen zijn opslibbingen tegen reeds bedijkt land. In nieuwlandpolders liggen vaak resten van kreken, die bij de bedijking afgesloten werden van het buitenwater. De nieuwlandpolders zijn hoger opgeslibd en minder ingeklonken dan de oudlandpolders en liggen dus relatief hoog in het landschap. De bodemopbouw is veel uniformer dan die van de oudlandpolders. De bewoning in de nieuwlandpolders was niet gebonden aan bepaalde hoogliggende delen; de polders waren vlak en hadden een goede natuurlijke afwatering. Hierdoor kon ook een groot deel van het land gebruikt worden voor akkerbouw (o.a. graan, meekrap en vlas, later aardappelen en suikerbieten) en fruitteelt. Alleen de laagst gelegen delen langs de kreken werden als grasland gebruikt. De inrichting van de polder is meestal rationeel: een rechthoekige, relatief grootschalige verkaveling met rechte wegen. De boerderijen werden verspreid in de polders gebouwd, de nieuw gestichte nederzettingen concentreerden zich langs de wegen en dijken (weg- en dijkdorpen). Vanaf de 15e eeuw werden voorstraatdorpen gebouwd. Diverse polders zijn meerdere malen overstroomd. Ingrijpende overstromingen zijn de stormvloeden van 1134, 1248, 1375, 1421 (Tweede Elisabethsvloed), 1530/32 (Noord-Beveland en Zuid-Beveland), 1570 (Land van Saeftinghe) en 1953 geweest. Welen en kreken geven in het huidige landschap aan waar de dijken zijn doorgebroken. Als reactie op de overstromingen werden inlaagdijken aangelegd. De inlaagdijk werd gelegd op plaatsen waar de bestaande dijk dreigde door te breken. Het gebied tussen deze dijk en de oude zeewering wordt inlaag genoemd. Inlagen komen vooral voor waar een diepe stroomgeul vlak langs de dijk liep en waar de ondergrond zwak was (jong zeezand). Om dijken te versterken werd vaak klei afgegraven uit de inlagen en zo ontstonden langgerekte plassen, van elkaar gescheiden door dammen. Omdat deze klei werd afgevoerd met karren, worden deze gebieden karrevelden genoemd. In de 19e eeuw is het landschap van de nieuwlandpolders plaatselijk sterk beïnvloed door de aanleg van spoorwegen, kanalen en dammen, later volgde de inundatie van 1953 en de grootschalige herverkavelingen.