From 1 - 10 / 185
  • Categories  

    Dijk- en wegdorpen komen in heel Zeeland voor en zijn niet zoals het ringdorp en het voorstraatdorp voornamelijk gerelateerd aan het oud- of nieuwland. Dijkdorpen zoals de naam al zegt zijn ontstaan langs dijken en wegdorpen langs (een kruising van) wegen. Dijkdorpen zijn meestal min of meer spontaan ontstaan en vertonen een uiterst eenvoudige lineaire plattegrond. De dorpen zijn doorgaans gebouwd langs de binnenkant van een zeedijk (soms een kanaal- of polderdijk). Na aandijking van een nieuwe polder was uitbreiding van het dorp mogelijk aan de buitenkant van de oude zeedijk die niet langer een waterkerende functie had. Een centrum ontbreekt vaak in een dijkdorp en een kerk kwam er alleen als het aantal inwoners groot genoeg was. , Wegdorpen (ook wel straatdorpen) zijn vaak net als de dijkdorpen zonder plan ontstaan als lintbebouwing langs een polderweg of een splitsing van polderwegen. , Het kruiswegdorp is een subtype dat vaak ontstond in de grotere polders vanaf de 17e eeuw. Hierbij werd gekozen voor een kruising van twee of meerdere polderwegen als uitgangspunt voor de nederzetting., De plattegrond van een kruiswegdorp bestaat veelal uit een vierkant plein waar in één hoek de kerk werd gebouwd in een andere hoek de pastorie daartegenover het raadhuis en in de resterende hoek het dorpscafé. Soms ontbreekt het plein en wordt het centrale middelpunt gevormd door het kruis van twee wegen of vaarten of een combinatie van beiden. De overige bebouwing verrees langs één van de op de kruising toelopende assen. Borssele is het opvallendste voorbeeld van een kruiswegdorp dat volgens geometrische opzet planmatig is aangelegd. , Schouwen-Duiveland: Ellemeet; Oosterland; Scharendijke; Westenschouwen; Zonnemaire; Sirjansland , Walcheren: Vrouwenpolder; Dishoek; Brigdamme , Noord- en Zuid-Beveland: Baarland; Borssele; Driewegen; Heinkenszand; Hoedekenskerke; Krabbendijke; Kruiningen; Kwadendamme; Lewedorp; Nieuwdorp; Ovezande; Rilland; ’s-Heerenhoek; Wemeldinge; Wilhelminadorp , Tholen: Anna Jacobapolder , Zeeuwsch-Vlaanderen: Retranchement, Driewegen; Groenendijk; Koewacht; Kuitaart; Lamswaarde; Nieuw-Namen; Nieuwvliet; Ossenisse ; Sint Jansteen; Terhole; Volgelwaarde; Waterlandkerkje, ; Zuiddorpe; Zuidzande; Reuzenhoek; Zaamslagveer; Nieuwemolen; Graauw; Hengstdijk; Hoek; Kloosterzande; Westdorpe; Schapenbout; Paal; Schoondijke; Bouchauterhaven; Clinge; Heikant; Zaamslag; Zandstraat

  • Categories  

    hoofd in rivier of ander buitenwater van aarde, steen en/of rijshout (en tegenwoordig staal), bedoeld om stroomaanval op de oever tegen te gaan en/of de vaargeul op diepte te houden.

  • Categories  

    landhuis of kasteel met bijgebouwen en een park of tuin. De eerste aanleg hiervan moet 50 jaar of ouder zijn. De naam buitenplaats vervalt niet als het huis in de loop der tijd is verdwenen of vervangen door een ander gebouw.

  • Categories  

    Het zuidwestelijk zeekleigebied beslaat een groot deel van Zeeland en de Zuidhollandse eilanden. Het wordt chronologisch ingedeeld in oudland en nieuwland. Tot het nieuwland behoren het oostelijke gedeelte van Schouwen-Duiveland, het noordelijk deel van Tholen, St. Philipsland, een klein deel van Walcheren, Noord-Beveland, het westelijke en oostelijke deel van Zuid-Beveland, en het grootste gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen. Vanaf het midden van de 13e eeuw werden dijken niet meer zozeer aangelegd om bestaand land te verdedigen, maar ook om ‘nieuw’ land aan te winnen. De hiertoe behorende gebieden worden nieuwland genoemd en bestaan uit zowel opwassen en aanwassen, als uit weer opgeslibd ‘verdronken’ oudland (zoals Noord-Beveland). Opwassen zijn platen of schorren die midden in het water onder invloed van de getijdewerking ontstaan. Aanwassen zijn opslibbingen tegen reeds bedijkt land. In nieuwlandpolders liggen vaak resten van kreken, die bij de bedijking afgesloten werden van het buitenwater. De nieuwlandpolders zijn hoger opgeslibd en minder ingeklonken dan de oudlandpolders en liggen dus relatief hoog in het landschap. De bodemopbouw is veel uniformer dan die van de oudlandpolders. De bewoning in de nieuwlandpolders was niet gebonden aan bepaalde hoogliggende delen; de polders waren vlak en hadden een goede natuurlijke afwatering. Hierdoor kon ook een groot deel van het land gebruikt worden voor akkerbouw (o.a. graan, meekrap en vlas, later aardappelen en suikerbieten) en fruitteelt. Alleen de laagst gelegen delen langs de kreken werden als grasland gebruikt. De inrichting van de polder is meestal rationeel: een rechthoekige, relatief grootschalige verkaveling met rechte wegen. De boerderijen werden verspreid in de polders gebouwd, de nieuw gestichte nederzettingen concentreerden zich langs de wegen en dijken (weg- en dijkdorpen). Vanaf de 15e eeuw werden voorstraatdorpen gebouwd. Diverse polders zijn meerdere malen overstroomd. Ingrijpende overstromingen zijn de stormvloeden van 1134, 1248, 1375, 1421 (Tweede Elisabethsvloed), 1530/32 (Noord-Beveland en Zuid-Beveland), 1570 (Land van Saeftinghe) en 1953 geweest. Welen en kreken geven in het huidige landschap aan waar de dijken zijn doorgebroken. Als reactie op de overstromingen werden inlaagdijken aangelegd. De inlaagdijk werd gelegd op plaatsen waar de bestaande dijk dreigde door te breken. Het gebied tussen deze dijk en de oude zeewering wordt inlaag genoemd. Inlagen komen vooral voor waar een diepe stroomgeul vlak langs de dijk liep en waar de ondergrond zwak was (jong zeezand). Om dijken te versterken werd vaak klei afgegraven uit de inlagen en zo ontstonden langgerekte plassen, van elkaar gescheiden door dammen. Omdat deze klei werd afgevoerd met karren, worden deze gebieden karrevelden genoemd. In de 19e eeuw is het landschap van de nieuwlandpolders plaatselijk sterk beïnvloed door de aanleg van spoorwegen, kanalen en dammen, later volgde de inundatie van 1953 en de grootschalige herverkavelingen.

  • Categories  

    tijdelijk dienstdoende haven voor waterstaatkundige werken; in Zeeland meestal aangelegd voor de herstelwerkzaamheden van na 1953 en/of de Deltawerken.

  • Categories  

    rechthoekig bassin tegen buitenzijde van zeedijk, bestemd voor de kweek van oesters.

  • Categories  

    beplanting van duinen met bomen om verstuiving tegen te gaan.

  • Categories  

    tracé van vroegere dijk. Het tracé kan een weg, sloot of ander lijnvormig element zijn. (NB dijken waarvan zowel het profiel als het tracé zijn verdwenen, zijn niet in de CHS opgenomen).

  • Categories  

    Een klein gedeelte van Zeeland wordt in beslag genomen door de kustzone: het gebied van de duinen en hun onmiddellijke omgeving. De kustzone bestaat uit het strand, de zeereep, de (Jonge) duinen en de binnenduinrand (‘manteling’ of ‘zoom’). Op Schouwen-Duiveland is dit een breed gebied, op Walcheren en in Zeeuwsch-Vlaanderen slechts een smalle strook. Na de laatste IJstijd (Weichselien, 73.000 – 10.000 jaar geleden) begon onder invloed van een warmer en vochtiger klimaat de zeespiegel te stijgen. Op een gegeven moment ontstond langs de Nederlandse kust een reeks parallelle strandwallen die zich steeds verder uitbreidden. Door verstuivingen ontstonden hierop lage duinen, de Oude Duinen. In de Romeinse Tijd sloeg de uitbouw van de West-Nederlandse kust om in een afname (die tot op heden voortduurt, zij het vertraagd door de kustverdediging). De strandwallen waren al vroeg bewoond. Op Schouwen-Duiveland zijn archeologische vondsten uit het Neolithicum (4.300 tot 2.000 jaar v. Chr.) gedaan. Ook in de Bronstijd en de IJzertijd vond bewoning plaats, evenals in de Romeinse Tijd. Aan het einde daarvan raakte met name de kuststrook dicht bevolkt. In de 3e eeuw nam de bevolking sterk af, maar hernieuwde groei volgde in de Vroege Middeleeuwen. In het begin van de Late Middeleeuwen (1000-1200) werden over de Oude Duinen en ten westen daarvan de Jonge Duinen gevormd. Deze zijn waarschijnlijk voor een deel ontstaan onder invloed van de mens. Verschillende factoren waren in het spel. Klimaatsverandering, overbeweiding en ontbossing leidden tot het vrijkomen van zand dat vervolgens ging stuiven en nieuwe duinen begon te vormen. In het overgangsgebied van de duinen naar de polder komen in Schouwen-Duiveland en Walcheren vroongronden voor: glooiende duingraslanden, waar het zand over het achterliggend kleigebied is gestoven. Vaak werden deze gebieden gebruikt als gemeenschappelijke weidegronden. Een andere typische vorm van ontginning van de duinen was de aanleg van elzenmeten, zoals dit in de binnenduinrand van Schouwen werd gedaan. In de natte terreingedeelten werden percelen van 2 tot 3 ha van greppels voorzien en beplant met elzen. Het hakhout werd gebruikt als brandhout. Om de elzenmeet heen lag vaak een houtwal of sloot. Vanaf de 19e eeuw werd het duingebied een steeds interessanter woon- en recreatiegebied. Naast de al bestaande landgoederen ontwikkelden zich villadorpen en grote badplaatsen, volledig gericht op het toerisme, zoals Renesse en Cadzand-Bad. Eveneens een van oorsprong 19e -eeuwse ontwikkeling is de stichting van duinwaterleidingbedrijven.

  • Categories  

    (stenen) paal of rechthoekige steen die de Nederlandese rijksgrens markeert. In Zeeland komen rijksgrenspalen voor op de grens Nederland - België in Zeeuwsch-Vlaanderen en Zuid-Beveland. Het bestand is tot stand gekomen door inzet van vrijwilligers en medewerkers van Stichting Landschapsbeheer Zeeland.